|
|
|
Zo'n
2500 jaar geleden legde de Griekse architect Eupalinos een tunnel van een
kilometer lengte aan om water vanaf de andere kant van de berg Kastron naar
de stad Samos te leiden. De tunnelgravers begonnen aan weerszijden en kwamen
elkaar halverwege tegen. Hoe Eupalinos kans zag om een waterplas in de berg
te voorkomen, blijft een raadsel, maar de tunnel had de juiste helling en
het water stroomde er goed doorheen.
Water klimt niet graag. Net zomin trouwens als treinen
en auto's. Daarom staan tunnels de laatste tijd weer meer in de belangstelling.
Naarmate de snelheden toenemen, worden wegen vlakker en rechter, en dat
vergt tunnels. Tunnels kunnen barrières wegnemen. Zo zal de nieuwe spoorlijn
van Keulen naar Frankfurt, die in 2002 wordt opgeleverd, dwars door enkele
bergen lopen. Passagiers zijn in minder dan een uur op de plaats van bestemming
in plaats van de meer dan twee uur die de huidige slingerroute langs de
Rijn kost.
Maar
snelheid is niet de enige overweging. Professor Rolf Katzenbach van de faculteit
Geotechnologie van de technische hogeschool van Darmstadt noemt nog andere
voordelen: "Sommige plaatsen op de wereld kreunen onder de verkeersdruk,"
zegt hij. "De steden langs de Alpenpassen in Zwitserland, Oostenrijk en
Italië zijn de dagelijkse invasie van zware vrachtwagens meer dan beu. De
enige manier om er wat aan te doen is het aanleggen van meer tunnels." Die
tunnels komen er; de nieuwe Gotthard- en Löschberg-spoortunnels komen vlak
te liggen. Voor treinen houden de bergen op te bestaan. Ook veel stadscentra
zijn verzadigd met verkeersdrukte. Ondergronds uitbreiden is vaak de enige
oplossing. Daarom komen er nieuwe metro's in steden als Brasilia en het
Russische Cheljabinsk.
Toen
Eupalinos zijn tunnel aanlegde, hakten zijn mensen zich een weg door massief
gesteente, dat sterk genoeg was voor de relatief nauwe doorgang. Al snel
leerden tunnelbouwers echter om de plafonds van hun tunnels in zachtere
materialen te stutten met houten balken en metselwerk. In de 19e eeuw
bedacht de Britse ingenieur Marc Isambard Brunel een beschermende cilinder
voor de tunnelbouwers met de diameter van de tunnel zelf. De cilinder
werd tijdens het werk naar voren bewogen en stelde hen in staat om al
doende de aarde af te voeren. Achter hen bouwden metselaars de tunnelwanden
op. De techniek werd voor het eerst toegepast bij een tunnel onder de
Thames die in 1843 voltooid werd.
Nog steeds gaat men volgens hetzelfde principe
te werk, maar Brunel zou de moderne machinerie die het werk opknapt, nauwelijks
herkennen. Gigantische tunnelboormachines (TBM's) graven zich een weg
door de grond. Vlak achter het beschermende schild worden wandsegmenten
van gewapend beton geplaatst. Een oplossing van fijne kleideeltjes in
water wordt gebruikt om het boorproces te "smeren" en het boorgruis weg
te spoelen. Het kleiwater wordt van het steengruis gescheiden en opnieuw
gebruikt, en het gesteente wordt via een lopende band afgevoerd naar wachtende
trucks of spoorwagons.
Zo'n ondergrondse fabriek kost wel wat: ongeveer
25 miljoen Amerikaanse dollar. Per project wordt een nieuwe TBM gebouwd
volgens de eisen die de geologische omstandigheden stellen. Er moeten
specifieke snijkoppen en vergruizers worden gebruikt en specifieke methoden
moeten worden ontwikkeld voor het realiseren van het drukverschil bij
de kop en het afvoeren van puin.
TBM's
zijn snel. Als het meezit, leggen ze een tunnel aan in een tempo van meer
dan een meter per minuut. Ze zijn gebruikt bij tal van de spectaculairste
tunnelprojecten uit de afgelopen jaren. Zo werd de vierde tunnel onder
de Elbe in Hamburg bijvoorbeeld gebouwd met 's werelds grootste TBM, die
in één keer een tunnel voor een tweebaansweg groef.
Vanwege de kosten is zo'n machine echter alleen
rendabel bij tunnels van meer dan twee kilometer lang. Daarom wordt slechts
één van de dertig tunnels in het spoortracé tussen Keulen en Hamburg op
die manier aangelegd. De andere worden merendeels gebouwd volgens de "shotcrete"-methode,
waarbij de tunnelwand tijdens het graven met sneldrogend beton wordt opgetrokken.
Ook water kan verrassingen opleveren. Het graafwerk
van Brunel moest enkele malen onderbroken worden omdat er water in de
tunnel drong, en vaak is het gesteente waardoorheen tegenwoordig een tunnel
wordt geboord, verzadigd met water. Ooit werd dat water simpelweg weggepompt,
maar dat verlaagt de waterstand en omwille van het milieu wordt dat nu
zelden meer gedaan - alleen als tijdelijke maatregel tijdens het bouwen.
Gewoonlijk wordt water van de boorlocatie geweerd
met behulp van luchtdruk die groter is dan die van het water. De werknemers
moeten dan de tunnel in via een luchtsluis. Bij TBM's wordt het probleem
omzeild door de boorkop te isoleren van de rest van de machine en de tunnel
meteen achter het schild te bekleden met betonnen segmenten. In shotcrete-tunnels
moet een extra betonnen laag worden aangebracht bij wijze van waterkering,
mede omdat het shotcrete zelf niet erg duurzaam is.
Zorgvuldig
voorbereidend onderzoek kan de risico's minimaal houden. Volgens Giovanni
Barla, hoogleraar gesteentemechanica aan de technische universiteit van
Turijn, moet per project 4 à 5 procent van het budget aan vooronderzoek
worden besteed om nare verrassingen te voorkomen. Zo werd bij de Gotthard-basistunnel
bijvoorbeeld een proeftunnel van 5,5 kilometer lang en 5 meter breed in
het plooidal van de Piora gegraven. Dankzij die voorbereidingen kon een
geologisch moeilijk gebied met een zeer hoge waterdruk worden omzeild.
"Tunnels worden steeds langer en dus wordt de geologie ervan ook steeds
gevarieerder," aldus Claus Erichsen van Prof. Wittke Adviseurs voor Geotechnische
Constructies in Aken. "Dat vergt nieuwe methoden."
Volgens Katzenbach is de belangrijkste les uit
de afgelopen 30 jaar van tunnelbouw geweest dat de berg niet uit zichzelf
instort. De shotcrete-bekleding of de tunnelringsegmenten dienen er alleen
voor om de dichtstbijzijnde lagen te ondersteunen. "Je hoeft maar een
steenlaag van zo'n drie meter dik te stutten," zegt Katzenbach. "De berg
zelf draagt het grootste deel van de last."
Met dit inzicht gewapend is de aanleg van holle
ruimten ook veranderd. Gewoonlijk wordt bij de bouw daarvan eerst een
tunnel gegraven, die vervolgens plaatselijk wordt verbreed. Het dak wordt
gestut voordat de constructie naar beneden wordt uitgebreid. Barla: "Vroeger
werd daarvoor een betonnen boog gebouwd. Nu gebruiken we bouten, muurankers
en shotcrete." Zulke holle ruimtes worden vooral gebruikt voor opslag
- Barla was onlangs betrokken bij de bouw van grote kerosinetanks in Israël
- maar er bestaan ook andere soorten: de Gjøvik IJsgrot fungeerde als
ijshockeystadion bij de Olympische Winterspelen in Lillehammer in 1994.
In één opzicht hebben de grotbouwers het gemakkelijker, volgens Barla.
"Ze kunnen hun grot vaak op de beste plaats aanleggen. Tunnelbouwers moeten
door alles heen graven wat ze tegenkomen."
Tunnels
behoren tot de meest veeleisende bouwprojecten, en met een prijs van soms
50.000 Amerikaanse dollar per meter ook tot de duurste. Maar de fascinatie
van het overwinnen van obstakels als rivieren, bergen en zeeën garandeert
dat ze gebouwd blijven worden. De 35 kilometer lange Kanaaltunnel moest
200 jaar op zijn voltooiing wachten.
© ITT Flygt AB, Solna, Zweden,
2000. Alle rechten voorbehouden.
|
|